'Unique selling proposition'

Relationele ethiek het ‘unique selling point’ van de contextuele benadering

Paul Heyndrickx




Wat is een ‘unique selling point’ of ‘unique selling proposition’?

 

Dit artikel is gebaseerd op de presentaties die ik gaf op het Internationaal Congres Contextuele Therapie te Ede (NL) in 2018 en op het COLLOQUE #6  HISTOIRE DES COMPTES FAMILIAUX 9-10 MARS 2020 – LIÈGE van opleidingsinstituut ‘l Ardoise Pivotante uit Luik (B).

Ik gaf beide presentaties in het Engels. Bij de voorbereiding ervan drong de uitdrukking ‘unique selling proposition’, ook wel ‘unique selling point’ genoemd, zich op. Bij het schrijven van dit artikel zocht ik naar een passende vertaling. Letterlijk vertaald betekent ‘unique selling proposition’ zoiets als ‘het unieke verkoopsvoorstel’. De letterlijke vertaling rammelt en kan niet echt vatten wat de Engelse term weergeeft. Het gaat om een marketingterm die weergeeft wat het product zo uniek maakt, wat de reden zou moeten zijn waarom mensen het product kopen. Wat heeft de contextuele benadering wat andere psychotherapeutische benaderingen niet hebben en wat het leven beter maakt? Waarin onderscheidt de contextuele benadering zich? Wat heeft de contextuele benadering wat andere benaderingen niet kunnen bieden?

Het antwoord zou moeten luiden: “De dimensie van de relationele ethiek”. 

 

De balans van geven en nemen is wat volgens Nagy psychotherapie doet werken. “Ik ben niet geïnteresseerd in theorie, enkel in wat helpend is in psychotherapie” (Masterclass 1997-1998, eigen notities)



Wat werkt?

 

Dit is wat ik noem de vraag van één miljoen. Als we zeker weten wat in therapie helpt dan kunnen we daar op inzetten. Dat is ook de vraag die de overheid en zorgverzekeraars stellen: geef ons protocollen die werken bij psychische klachten en dan zullen wij deze zorg (gedeeltelijk) vergoeden. Op zich is deze vraag legitiem. Er is in psychotherapie veel gebakken lucht en heel wat waarzeggers, kaartleggers en andere zelfverklaarde genezers verdienen goed geld met de wanhoop van de mens in psychische nood.

 

Dat psychotherapie werkt is ondertussen algemeen aanvaard. Maar wat precies de werkzame factoren zijn in psychotherapie is voer voor discussie. 

Doorheen de geschiedenis van de psychotherapie ontstonden telkens nieuwe inzichten en hypothesen over hoe mensen in elkaar zitten, over het ontstaan van psychische klachten en ziektebeelden en over de manier om deze te behandelen. Annelies Onderwaater geeft in haar boek ‘De onverbrekelijke band’ (Onderwaater,  2013, pp84-85) een mooi tabel-overzicht van hoe verschillende therapie-stromingen kijken naar het ontstaan, de impact van het verleden en de behandeling van psychische en relationele klachten. Waar moet de therapeut zich op richten? Wat is heilzaam? Is het inzicht in het ontstaan van de klachten? Gaat het om hechtingskwetsuren? Of zijn het rigide en niet helpende narratieven die ons parten spelen? En wat is de rol van de therapeut daarin?

Nagy geloofde dat inzake vele psychologische klachten de onbillijkheid in de balansen van geven en nemen aan de basis ligt en dat de behandeling er in bestaat te proberen opnieuw beweging te brengen in de vaak geblokkeerde balansen van geven en nemen.

 

Naast de modellen en hun visie op gezondheid en therapie is er het onderzoek naar de werkzame factoren in psychotherapie. Je kan daar uitgebreid over lezen in Het misverstand psychotherapie (2019) van Flip Jan van Oenen en in Wat werkt? (2007,2014) van Sjef De Vries. 

Wij kunnen in dit kader zeker niet voorbij aan de namen van Bruce Wampold, Michael Lambert en Barry Duncan die elk op hun beurt onderzoek deden naar welke factoren het best een positieve outcome van het therapeutisch proces voorspellen. Is het het model? Het protocol? De vooropleiding van de therapeut? De jaren in training? De aard van de training of wat dan ook. Elk van deze onderzoeken komt tot dezelfde conclusies: de voornaamste factor die een positief effect van het therapeutisch proces voorspelt is de cliënt in zijn context. De mate waarin onze cliënt kan bogen op hulpbronnen in zijn omgeving, beschikt over persoonlijke veerkracht of nog maar gelooft in een goede uitkomst van de therapie, voorspelt dat hij of zij zal verklaren hulp te hebben bij psychotherapie.

 

Er blijkt nauwelijks onderscheid tussen de psychotherapeutische scholen als het gaat om de voorspelling of de therapie zal helpen of niet. Dit werd door Wampold ‘The Dodo-Bird verdict’ genoemd, naar Alice In Wonderland, het kinderboek van Lewis Caroll. De dieren houden een loopwedstrijd en de Dodo is de scheidsrechter. Na afloop vind hij voor elke deelnemer wel een reden om te zeggen dat hij de beste was. ‘All have won, all must have prices,’ zegt de Dodo. Dit geldt na onderzoeken ook voor de verschillende psychotherapeutische stromingen. Geen enkele stroming voorspelt een betere uitkomst dan de andere. Dit is zichtbaar in het taartdiagram dat ook wel ‘Lambert’s Pie’ wordt genoemd. In deze ‘taart’ geeft de onderzoeker Lambert weer in welke mate de verschillende factoren in het therapeutisch proces een positieve uitkomst voorspellen. De belangrijkste voorspellende factor is de cliënt in zijn eigen context. In het cliëntsysteem liggen de bronnen van heling en groei. Wanneer die geactiveerd worden is er hoop op verandering.



Forrest  and Lobsinger (2007)

 

De op één na meest helpende factor die een positieve uitkomst voorspelt is de kwaliteit van de therapeutische relatie, zoals die wordt ervaren door de cliënt. Als onze cliënt de samenwerking met de therapeut of psychosociaal werker ervaart als positief, warm en aansluitende bij zijn leefwereld en doelen, dan is de kans op een positieve beleving van het effect van het proces groter. Als de therapeut er in slaagt een goede collaboratieve relatie op te bouwen is de kans op slagen groter. Dit alles ongeacht zijn vooropleiding, training, verklaringsmodel of het gevolgde protocol.

Er bestaan meer studies dan deze van Lambert. In elk van die studies  wordt de invloed van het model en de training van de therapeut erg gerelativeerd. Er bestaan studies die het belang van de cliënt in zijn context veel hoger inschatten dan Lambert deed. Barry Duncan komt zelfs tot een percentage van 87%! (van Oenen, 2019)

Wederkerigheid en relationele ethiek.

 

Terug naar Nagy. Zat hij er dan naast? Heeft hij ten onrechte aangenomen dat zijn model – dat hij geen model wou noemen –  beter zou werken dan de reeds bestaande benaderingen?

Nagy pleitte niet voor een modellenstrijd, hoewel hij tijdgenoten wel bekritiseerde. De vier of vijf dimensies in het contextueel werk zag hij als ‘epistemologische clusters’, verzamelingen van (wetenschappelijke) kennis. Alle informatie die één of andere benadering oplevert kan een plek vinden in één van deze dimensies. (Onderwaater, 2013)  Een dimensie is een verzameling van informatie die voortkomt uit de verschillende disciplines die met de cliënt aan het werk zijn. Daarbij zijn feitelijke gegevens net zo belangrijk als hypotheses over de effecten van vroegkinderlijke ervaringen in de ouder-kind relatie. Je kan de verschillende dimensies in de relationele werkelijkheid van de cliënt zien als een focus op de cliëntfactoren. In die zin is contextueel werk niet in tegenstrijd met de ervaring dat het vooral cliëntfactoren zijn die de uitkomst van het therapeutisch proces voorspellen. Voor Nagy was het antwoord op de vraag wat helpend is in therapie te vinden in wat er tussen cliënten en de mensen met wie zij door het leven verbonden zijn gebeurt. Meer specifiek gaat het over de beweging in de balansen van geven en nemen.

Nagy was niet de eerste die het geven en nemen tussen mensen beschreef. In Invisible loyalities verwijst hij naar het begrip  ‘reciprocity’ dat je kan vertalen als ‘reciprociteit’ of ‘wederkerigheid’. Nagy verwijst daarbij naar Alvin Gouldner (1959 The Norm of Reciprocity: A Preliminary Statement)

Reciprociteit is een begrip dat thuishoort in de sociologie, de economie en de sociale psychologie. Reciprociteit gaat over wederkerigheid van voordelen en beloningen in relaties. Als jij iets krijgt, dan krijg ik ook iets. Ongelijkheid in beloning wordt heel erg afgekeurd. De profiteur die voordelen krijgt welke hij niet echt verdient of het vermoeden dat iemand voordelen krijgt welke hij niet echt verdient maakt mensen boos. Het is beschreven door Frans De Waal in gemeenschappen van primaten maar het is ook heel erg zichtbaar op het menselijke maatschappelijke niveau. Lees er de ontelbare fora op het wereldwijde web maar op na. Reciprociteit wordt gehanteerd bij de beschrijving van groepen in de samenleving. Billijkheid en rechtvaardigheid in de relaties zorgt voor samenhang op maatschappelijk niveau. Ongelijkheid maakt samenlevingen onstabiel. Het is een dynamisch gegeven

Reciprociteit is de sociale norm die een impliciete verplichting inhoudt iets weer te geven wanneer men iets krijgt. In de visie van Gouldner gaat het over een geïnternaliseerde norm. Deze norm wordt opgelegd door de samenleving en we hebben hem als het ware ingeslikt.

Voor Nagy gaat het niet alleen over een geïnternaliseerde norm die wordt opgelegd door de groep of door mijn Uber-Ich maar vormen de balansen van geven en nemen een realiteit op zich. Het grootboek, het totaal van al die balansen van geven en nemen is een gedeelde realiteit en bevindt zich tussen mensen. Verantwoordelijkheid nemen voor dit geven, verschuldigd zijn, gerechtigd zijn zorg te ontvangen en teruggeven is de relationele ethiek. Het is in dit geven en nemen, geven en ontvangen dat we als mens zicht krijgen op wat we voor anderen betekenen. Het is aan de reactie van anderen dat we onze zelfwaarde – zelfvalidatie – ontlenen. Op die manier krijgen we zicht op onszelf als iemand die iets te bieden heeft aan de wereld en als iemand die waardevol genoeg is om voor te zorgen. Dit noemen we zelfafbakening.

Relationele ethiek is geen opgelegde moraal maar een besef dat relaties maar werken als het spel van geven en nemen rechtvaardig – billijk, fair –  wordt gespeeld.

 

In latere publicaties verwijst Nagy niet meer naar Gouldner, maar vooral naar Martin Buber aan wie hij ook reeds in Invisible Loyalties de notie van ‘rechtvaardigheid van de menselijke orde’ toeschrijft. In Between Give and Take (Tussen Geven en Nemen) is de dimensie van de relationele ethiek voluit aanwezig en is het begrip reciprociteit uit de sociale wetenschappen slechts op de achtergrond aanwezig. Relationele ethiek zit in het werk van Nagy op de schaal van de familierelaties.

 

Nochtans is de verwijzing naar Gouldner en naar de sociale wetenschappen erg helpend om het begrip wederkerigheid of reciprociteit te begrijpen. Het is gewoon de aard van het beestje (i.c. de homo sapiens) om rekeningen te maken en ze bij te houden. De notie van reciprociteit is in de sociale wetenschappen trouwens levend aanwezig. Zo gaat de Britse econoom Paul Collier er in De Morgen van 19 juni 2019 en in De Groene Amsterdammer in januari 2020 nog uitgebreid op in. Als in de samenleving niet eerlijk wordt gehandeld, als mensen worden uitgebuit of als mensen ten onrechte profiteren van de inspanning van anderen, dan ontstaan er problemen. 

Cathérine Ducommun-Nagy legt in ‘Van onzichtbare naar bevrijdende loyaliteit’ wel opnieuw de link met de oorsprong van het begrip wederkerigheid in de sociale wetenschappen. (Ducommun-Nagy,2008)

 

Als Nederland op de rem gaat staan wanneer Griekenland na de crisis van 2008 zwaar in de financiële problemen komt dan heeft dit alles met reciprociteit te maken. In de ogen van de Nederlandse regering en euro-groepvoorzitter Dijselbloem had Griekenland gewoon niet genoeg aan Europa gegeven om steun te verdienen. De houding van Nederland in de COVID-19-crisis in 2020 wordt ook gestuurd door – slecht begrepen – reciprociteit. De auteur Ilja Leonard Pfeijffer zegt in De Morgen van 2 april 2020 “Nederland is altijd het braafste jongetje van de klas geweest en heeft zijn begroting op orde, dat begrijp ik. Maar het is onethisch dat Nederland voorwaarden stelt aan Europese hulp. Als het huis in brand staat en de buurman moet komen blussen, gaat die toch ook niet eerst voorwaarden stellen?”



Relationele ethiek is een nooit eindigend spel van geven en nemen, onderhandelen en pleiten voor zichzelf en overwegen wat goede zorg is voor de ander. Deze dynamiek zorgt voor sociale en familiale cohesie en veiligheid. Er zijn geen objectieve standaarden voor het geven en nemen/ontvangen. Niemand krijgt precies terug wat hij of zij heeft geïnvesteerd. Als ouder krijg je heel andere dingen van je kind dan de zorg die je ze gegeven hebt. Dit spel van geven en nemen geeft iemand het ethische recht iets te mogen verwachten van de ander – gerechtigde aanspraak – maar het geeft hem ook waarde en betekenis in de relatie – zelfvalidatie- en het helpt hem of haar ook te achterhalen wie hij of zij is – en zelfafbakening. Groei en heling gebeuren in relatie met de mensen die er voor ons toe doen. De ervaring iets bij te dragen aan de kwaliteit van iemands leven, het nemen van verantwoordelijkheid, is een belangrijke motivator. Erkenning van deze bijdrage maakt deze zichtbaar en stimuleert groei en heling. In dit kader past het begrip verantwoordelijkheid. De keuzes die we maken in de relatie kunnen voldoen aan onze eigen behoeften of die van het systeem (Boszormenyi-Nagy en Krasner ,1994, p75), maar verantwoordelijkheid nemen betekent ook passend rekening houden met de behoeften en mogelijkheden van de andere(n)

De dimensie van de relationele ethiek is een gedeelde realiteit die tussen de mensen in ligt (Boszormenyi-Nagy en Krasner,1994, p75). Maar ieder van ons ervaart die realiteit vanuit zijn eigen standpunt, gekleurd door eigen levenservaringen en het effect ervan op zijn persoonlijke ontwikkeling, bijvoorbeeld zijn hechtingsgeschiedenis. De dimensie van de relationele ethiek overstijgt deze persoonlijke gezichtspunten en belangen als enige maatstaf voor billijkheid. En net zoals iedereen muziek kan horen maar er geen officiële maatstaf is voor ‘mooie’ muziek, heeft ieder van ons toegang tot die gedeelde werkelijkheid van de balansen van geven en nemen, maar is ook daar geen officiële maatstaf voor. Toch bestaan er gedeelde opvattingen over de schoonheid van muziek. Van de Belgische koning Leopold II – geen warm historisch figuur – is de uitspraak bekend: ‘Muziek is de duurste manier om lawaai te maken’. Maar hij was een uitzondering op de regel. De geschiedenis is het vrijwel eens over de genieën van Bach, Brel en Prince.

Zo bestaan er ook ruim gedeelde opvattingen over billijkheid en rechtvaardigheid, in het denken van Nagy de ‘rechtvaardigheid van de menselijke orde’. Of balansen rechtvaardig worden bevonden is het resultaat van een immer durende dialoog tussen mensen, over de generaties heen. Dit noemt Nagy het ‘intrinsiek transgenerationeel tribunaal’ (Boszormenyi-Nagy, 2000, p 102 e.v.)

 

Nagy haalt aan dat het volgens Gouldner belangrijk is dat balansen nooit precies in evenwicht zijn. (Boszormenyi-Nagy en Spark 1973/1987) Het verschuldigd zijn aan elkaar versterkt de sociale cohesie. Het doet een samenleving functioneren. Gouldner citeert volgens Nagy de Romeinse filosoof Seneca: ‘Een persoon die te snel een geschenk wil terugbetalen met een ander geschenk is een onwillige schuldenaar en een ondankbaar persoon.’

 

Dat het denken in verbinding en balansen niet zomaar een Europees gebeuren is wordt geïllustreerd door het boek dat de Zuidafrikaanse filosoof Mogobe Ramose (Ramose, 2017) publiceerde over de Afrikaanse Ubuntu – filosofie. ‘Ubuntu’ is te vertalen als ‘Ik ben omdat wij zijn’ of ‘Een mens is een mens omdat er anderen zijn’. Tiens, is dat niet een mooie formulering van de ontische dimensie in het contextuele denken? Ik besta maar omdat jij er ook bent. 



De Ubuntu filosofie vertoont verder opvallende overeenkomsten met de contextuele visie op het menselijk bestaan:

– Wederkerigheid als sturende dynamiek.

– De verbinding tussen generaties.

– Billijkheid en rechtvaardigheid zijn belangrijke motieven in het menselijke handelen.

– Er is een verband tussen ethische rechtvaardigheid en mentale gezondheid

Mogobe Ramose citeert in zijn boek ‘Ubuntu’ ook Nelson Mandela:

De spirit van ubuntu – dat diepe Afrikaanse besef dat we slechts mens zijn via de humaniteit van andere menselijke wezens – is geen plaatselijk fenomeen, maar heeft wereldwijd bijgedragen aan onze gemeenschappelijke zoektocht naar een betere wereld. (Ramose,  2017 p 11)

 

Hoe werk je met relationele ethiek?

 

Als we teruggaan naar ‘Lamberts Pie’ en ‘The dodo-bird verdict’ van Wampold wat doen we dan met relationele ethiek?

Ik ben van mening dat de dimensie van de relationele ethiek een taal verschaft die cliëntfactoren zichtbaar maakt. Niet alleen voor de therapeut of psychosociaal werker, maar ook voor de cliënt. De taal van de vierde dimensie helpt alle partijen een ruimer begrip te krijgen van hoe relaties ineen steken. Ik werkte gedurende 7 jaar als ‘leraar psychologie’ in een opleiding voor ervaringsdeskundigen in armoede en sociale uitsluiting. Uiteraard was ik niet zomaar leraar. Alles wat ik in de opleidingsgroep vertelde gaf reactie. Of ik het nu had over gehechtheid en hechtingskwetsuren of over onbillijkheid, parentificatie en gerechtigde aanspraak, alles raakte mijn cursisten recht in het hart. Want zij waren gekwetste en beschadigde kinderen die dit alles hadden meegemaakt. De lessen waren een aaneenrijging van verhalen over onrecht, pijn en gevende kinderen die uiteindelijk uitgeput raakten. Eén van mijn cursisten gaf als antwoord  – op de vraag wat nu geholpen had in de cursus- : “Jij gaf me taal”. Ik had niets gedaan wat haar echt geholpen had, maar ik had haar de woorden gegeven waarmee ze over haar eigen geschiedenis kon spreken. Taal maakte de werkelijkheid voor haar en de andere deelnemers zichtbaar en geldig. Woorden als ‘parentificatie’, ‘onbillijkheid’, ‘destructief gerechtigde aanspraak’ weerspiegelen een realiteit die zich tussen mensen bevindt. Door het hanteren van deze woorden wordt wat eens een onbehaaglijk aanvoelen is een werkelijkheid op zich. De taal opent een toegangspoort tot een gedeelde realiteit tussen mensen namelijk de balansen van geven en nemen en de eventuele onbillijkheid ervan. Taal geven aan onbillijkheid of aan geleverde bijdragen staat gelijk met het geven van erkenning. Erkenning maakt verdienste en gerechtigde aanspraak zichtbaar. Erkenning leidt tot zelfvalidatie en zelfafbakening en dat is het doel van contextueel werken. In navolging van Wampold, Lambert en Duncan hebben we verder geen controle over wat onze cliënten daarmee doen. Mogelijk warmen ze zich aan mijn erkennende woorden. Mogelijk putten zij er kracht uit om actie te ondernemen en op die manier een opwaartse spiraal van zorg op gang te brengen. Mogelijks kunnen zij mijn woorden niet geloven en is er meer nodig om iets in beweging te zetten.

Maar we kunnen wel de deur naar de dimensie van de relationele ethiek openen door er taal aan te geven. 



Daarom:

– Werk aan de kwaliteit van de werkrelatie.

– Luister aandachtig naar de verhalen van jouw cliënten.

– Leer luisteren in de verschillende contextuele dimensies: er is een verschil tussen het aanvoelen van onrecht en het werkelijke onrecht. Ga niet voorbij aan op het eerste zicht banale feiten.

– Geef jouw cliënten de woorden die ze als bouwstenen voor hun verhaal kunnen gebruiken.

– Meerzijdige partijdigheid blijft de basisattitude en -techniek.

– Het is een dialoog, geen diagnose. Zelfs als is jouw werkhypothese nog zo knap, als ze niet aansluit bij hoe jouw cliënt het ziet of aanvoelt dan hou je ze beter in de koelkast. Timing is het sleutelwoord.

– Vraag feedback aan jouw cliënt: ‘Zitten we op het goede spoor? Heb je de idee dat ik goed aanvoel wat er met jou gebeurt?’ Want zijn/haar aanvoelen van de kwaliteit van de relatie is datgene waar we het meest controle over hebben.

– Vertrouw het proces. Je hebt er nauwelijks controle over. Je kan dus niet anders.

 

Wat is er mis met relationele ethiek?

 

‘Als wederkerige betrokkenheid en verdiende gerechtigde aanspraak zo fundamenteel zijn voor een levensvatbare en uitgebalanceerde levenscontext, waarom wordt dan in feite de dimensie van de relationele ethiek in families zo weinig aangesproken? Waarom heeft de psychotherapie het bestaan en de implicaties van deze dimensie zo consequent genegeerd?’ vraagt Nagy zich af in Tussen geven en nemen (1994, p 244)

 

Het antwoord op deze vraag zit volgens mij in de complexiteit van het contextuele model, het gebrek aan begrip van het werkelijke karakter van de 4de dimensie en het feit dat ‘verantwoordelijkheid’, ‘billijkheid’ en ‘rechtvaardigheid’ niet kwantificeerbaar zijn. De dwang naar ‘evidence based’ psychotherapeutische protocollen laat niet toe dat je aan een proces begint waarvan je de uitkomst niet kan garanderen. Er is weinig protocol in het contextuele werken dat jou een betrouwbare voorspelling kan doen over de uitkomst. Bovendien is het onmogelijk als derde te zien wat er zich tussen mensen in bevindt. De enige manier om dit te bereiken is luisteren naar wat de betrokken personen daar over zeggen. Maar dit is niet de vierde dimensie. Door het persoonlijk standpunt te bevragen kom je in de tweede (het aanvoelen van de billijkheid) en de derde (het perspectief op de balansen van geven en nemen, de interpunctie) dimensie terecht.

Dat probleem ondervond ook Terry Hargrave bij de ontwikkeling van de Relational Ethics Scale (Hargrave, et al. ,1991): It is necessary, therefore, to consider the individual’s stance in the relational dimension as the most logical element to provide information about the interpersonal aspects of relational ethics as well as perceptions concerning the interpersonal dimension of the family.

Following this logic, the authors decided to use a self-report instrument in the scale development.

Zoals we eerder zagen is de enige toegang tot de gedeelde werkelijkheid van de relationele ethiek de individuele ervaring van de balansen van geven en nemen. Het ‘tussen’ is geen op zich staande, objectief meetbare realiteit. Je kan enkel de individuele ervaring van mensen en wat ze daarover meedelen meten en tellen.

Het begrippenkader van de vierde dimensie leunt bovendien erg aan tegen een moralistisch taalgebruik dat verbonden is met levensovertuigingen. ‘Verschuldigd’ zijn lijkt op ‘schuld’, ‘verdienste’ lijkt op een verplichting braaf te zijn en punten te scoren voor een hiernamaals. ‘Verantwoordelijkheid’ is in het discours vaak datgene waar vooral de ander mee bezig moet zijn.

En laat het moraliserende opgeheven vingertje nu net iets zijn waar de hedendaagse liberale mens allergisch voor is. Het is mijn ervaring dat dit vaak zo wordt begrepen en uitgelegd en dat het een drempel is waar heel wat professionals in de geestelijke gezondheidszorg het niet eens over willen hebben.





Besluit

 

Ivan Boszormenyi-Nagy was er zeker van dat het de relationele ethiek is wat werkt in psychotherapie en psychosociaal werk. Als contextueel werkers hebben we vaak ook die ervaring en nemen we dit aan. De contextuele benadering heeft een aantal troeven die misschien niet de behandeling beter maken maar wel de hulpverlener kunnen helpen een empathische begripvolle collaboratie met de cliënt op te zetten:

 

–  De contextuele benadering is integratief. De wijsheid die de verschillende takken en invulling van de menswetenschappen biedt wordt meegenomen in een zo alomvattend mogelijke verkenning van de cliënt in zijn existentiële context. De verschillende dimensies dienen elk op hun beurt goed begrepen te worden en zorgvuldig gehanteerd.

– De contextuele benadering relativeert van in zijn origine de macht en invloed van de therapeut of psychosociaal werker. De therapie heeft niet noodzakelijk plaats in de spreekkamer, maar wel in de relationele context van de cliënt.

– De contextuele benadering biedt extra taal om de cliënt in zijn context zichtbaar te maken. De contextuele benadering biedt niet alleen taal om over de individuen te spreken maar geeft ook een begrippenkader om te spreken over hoe de verbondenheid tussen individuen er uit ziet: loyaliteit, de balans van geven en nemen, parentificatie, verdienen van recht, enzovoort. Deze vierde dimensie is wel degelijk een ‘unique selling proposition’. Een goed begrip van de vierde dimensie is nodig om er goed mee te kunnen werken. De originele link met het sociaal-psychologische begrip ‘reciprociteit’ kan daar een bijdrage toe leveren.



© Paul Heyndrickx 2020



  • Bronnen

 

Baaziel, D. (2020 16 januari) Hoe nu verder? Paul Collier: We moeten de gemeenschap weer opbouwen  De Groene Amsterdammer 

Boszormenyi-Nagy, I. en Krasner B., (1994) Tussen geven en nemen. Over contextuele therapie. Haarlem: De Toorts.

Boszormenyi-Nagy, I, (2000) Grondbeginselen van de contextuele benadering, Haarlem: De Toorts

Boszormenyi-Nagy, I en Spark G.M. (1973/1987), Invisible loyalties. Brunner/Mazel

Collier, P. (2019, 19 juni) Denemarken wijst sociaaldemokraten de weg vooruit. De Morgen  p 22

Ducommun-Nagy, C, (2008) Van onzichtbare naar bevrijdende loyaliteit. Leuven: Acco

De Vries, S. (2007, 2014) Wat werkt? De kern en de kracht van het maatschappelijk werk. Amsterdam: Uitgeverij SWP

Forrest, J. and Lobsinger,C (2007) Common Factors Approach to Counselling and Psychotherapy.  Geraadpleegd op 17 september 2020. https://www.slideshare.net/lobsinger/common-factors-approach

Heyndrickx, P.  (1997-1998), Masterclass contextuele therapie. Eigen notities

Hargrave, T. D., Jennings, G., & Anderson, W. T. (1991). The development of a relational ethics scale. Journal of Marital and Family Therapy, 17, 145-158.

Onderwaater, A. (2013) De onverbrekelijke band. Inleiding & ontwikkelingen in de contextuele therapie van Nagy.  Achtste, licht gewijzigde druk. Amsterdam: Pearson

Ramose, M. (2017)  Ubuntu. Stroom van het bestaan als levensfilosofie. Ten Have

Van Oenen, F.J. (2019) Het misverstand psychotherapie. Amsterdam: Boom/ De Tijdstroom

Verberckmoes, Y (2020, 2 april) ‘Ik heb geen goed woord over voor Nederland’ Interview. Schrijver Ilja Leonard Pfeijffer ziet vanuit Italië met lede ogen aan dat zijn thuisland geen steun wil bieden.  De Morgen,  p 4